Inspectie elektrische apparaten en toestellen EN 50110-1 en NEN 3140
De inspectie van elektrische apparaten en toestellen bestaat uit een visuele controle waarbij gelet wordt op de zichtbare veiligheidsaspecten zoals het snoer, de behuizing, etc. en een beperkt aantal metingen.
Wie is bevoegd De zogenaamde voldoend onderrichte persoon mag elektrische apparaten keuren. Een voldoend onderricht persoon is een persoon zonder elektrotechnische achtergrond. De voldoend onderricht persoon mag in beperkte mate eenvoudige elektrotechnische werkzaamheden uitvoeren maar moet wel zijn geïnstrueerd over de elektrische gevaren die hij/zij tegen kan komen. Voorbeelden van werkzaamheden die door een voldoend onderricht persoon, na instructie mogen worden uitgevoerd zijn:
* Het spanningsloos maken, voor werkzaamheden en het opnieuw inschakelen na werkzaamheden
* Het aan- en afkoppelen van motoren
* Het monteren van contactstoppen (stekkers) aan leidingen
* Het vervangen van lampen en het aansluiten van verlichtingsarmaturen op aanwezige leidingen incl. wandcontactdozen en lichtschakelaars
* Het aanbrengen en verwijderen van smeltveiligheden
* Het inspecteren van elektrische arbeidsmiddelen.
Frequentie van inspectie elektrische apparaten en toestellen De tijd tussen twee opeenvolgende inspecties van elektrische arbeidsmiddelen hangt af van de frequentie van gebruik, de deskundigheid van de gebruiker, de omgeving, de kans op beschadiging en het resultaat van de huidige en voorgaande inspectie. Door onderstaande vragen te beantwoorden kan de frequentie worden vastgesteld. Per vraag krijgt men een aan punten die opgeteld moeten worden. Vervolgens leest u in de tabel de frequentie af.
Vraag A; de frequentie van gebruik Het elektrisch arbeidsmiddel wordt:
A1 Regelmatig of vaak gebruikt: 10 punten
A2 Zelden gebruikt (minder dan 5 x per jaar): aantal punten: 4
Vraag B; de deskundigheid van de gebruiker Het elektrisch arbeidsmiddel wordt:
B1 Uitsluitend door elektrotechnisch deskundigen gebruikt: Aantal punten: 4
B2 Niet uitsluitend door elektrotechnisch deskundigen gebruikt: Aantal punten: 10
Vraag C; de omgeving De omgeving waarin het elektrisch arbeidsmiddel wordt gebruikt is:
C1 Een niet industriële omgeving, schoon en droog, levert geen brand- of explosiegevaar op en is vrij van van transportmiddelen of zware materialen: Aantal punten: 2
C2 De omgeving waarin het elektrisch arbeidsmiddel wordt gebruikt is niet eenduidig vast te leggen, maar niet vergelijkbaar met een zware industriële omgeving of een omgeving waar wordt gewerkt met transportmiddelen of zware materialen. Aantal punten: 10
C3 De omgeving waarin het elektrisch arbeidsmiddel wordt gebruikt kenmerkt zich als een zware industriële omgeving, een bouwplaats of als een omgeving waarin wordt gewerkt met transportmiddelen of zware materialen. Aantal punten: 15
Vraag D; de kans op beschadiging Tijdens het gebruik en in de perioden tussen het gebruik is de kans op beschadiging van het elektrisch arbeidsmiddel:
D1 Bijzonder klein, zoals bij een beschermd gelegd verlengsnoer of een PC in een kantooromgeving. Aantal punten: 2
D2 Klein, maar reëel aanwezig, zoals bij elektrische arbeidsmiddelen in een kleine werkplaats of in een auto van een servicemonteur. Aantal punten: 10
D3 Groot zoals op een scheepswerf. Aantal punten: 15
Bepalen van de frequentie van de inspectie Tel het aantal punten op en lees de inspectiefrequentie af in de tabel.
Aantal punten = Frequentie in jaren 12 punten = 1 keer per 7 jaren inspecteren
15 = 5,2 (1 keer per 5,2 jaar inspecteren)
20 = 4 (et cetera)
25 = 3
30 = 2,2
35 = 1,5
40 = 1,1
45 = 0,8
50 = 0,6
Inspectiepunten Per soort apparaat of toestel beschrijven we de inspectiepunten.