Wijzigingen NEN 3140 2026 ?
Er is een ontwerpnorm voor de nieuwe NEN 3140, daar kan commentaar op worden geleverd bij NEN en uiteindelijk zal deze ergens 2026/2027 definitief worden. We hebben echter alvast even een kijkje genomen. Hieronder volgt een beknopte uiteenzetting van de mogelijke wijzigingen. Let op: dit is een ontwerpnorm dus nog geen definitieve versie van de nieuwe NEN 3140.
Een greep uit de voorgestelde wijzigingen zijn:
- VOP mag na instructie kabels verwijderen.
- Aangewezen personen moeten beschikken over veiligheidsattitude en weerbaarheid.
- Verplichte betrokkenheid van de IV bij RI&E, V&G-plan en TRA.
- Introductie van "veilig stellen" en "paraat stellen".
- Duidelijkere PBM-eisen binnen gevarenzones.
- Verplichte risicobeoordeling voorafgaand aan werkzaamheden.
- Periodieke evaluatie van veilige bedrijfsvoering door de IV.
- Nieuwe inspectie-eis voor stroomverdeling in parallelle kabels.
- Persoonlijk slot als eigen beveiliging tegen wederinschakeling.
- Controle op spanningsloos én indien nodig stroomloos.
- Uitbreiding definitie "scheiden" naar alle vormen van elektrische energie.

De Aanwijzingen
De benamingen zoals de Installatie- en Werkverantwoordelijke, Vakbekwaam Persoon en Voldoende onderricht persoon zijn gelukkig niet gewijzigd.
Verder zien we in het hoofdstuk 6 over Werkprocedures dat de IV en WV ook de wijze van oplevering na werkzaamheden, inclusief de op te leveren documentatie moeten bespreken en documenteren. En, is in bijlage F is te lezen dat de werkgever de IV-er moet raadplegen als de RI&E, het V&G plan of TRA wordt opgesteld om input te geven over mogelijke elektrische risico's.
Wijzigingen Voldoende onderricht persoon
In art. 4.2.105 is er een taak toegevoegd en eentje weggehaald voor wat betreft de voorbeelden van werkzaamheden door de VOP. Wat aan het lijstje voorbeelden is toegevoegd is dat ook de VOP, na instructie, ook kabels mag verwijderen.
| Voldoende onderricht persoon (VOP) | |
| Oud | Nieuw |
| Vervangen van lampen | idem |
| Aan- en afkoppelen elektromotoren | idem |
| Resetten van beveiligingen | idem |
| Monteren van stekkers aan snoeren | idem |
| Vervangen WCD's en lichtschakelaars | idem |
| Monteren verlichtingsarmaturen | idem |
| Inspecteren elektrische arbeidsmiddelen | idem |
| Aanbrengen/verwijderen bepaalde smeltpatronen | idem |
| Gebruik van arbeidsmiddelen in specifieke situaties | idem |
| x | Het verwijderen van kabels |
Verder is toegevoegd in art. 4.2.116 dat de aangewezen personen naast de vakbekwaamheid moeten beschikken over de juiste veiligheidsattitude en weerbaarheid.
Veilig stellen en paraat stellen
Er zijn 2 artikelen toegevoegd over veilig en paraat stellen. Veilig stellen is in feite het vergrendelen dat al in de 5 Veiligheidsregels en Lock Out, Tag Out procedures is verwerkt maar nu ook onderdeel van NEN 3140 is. Daarnaast is het begrip 'paraat stellen' opgenomen in art. 3.4.102 wat inhoudt dat de installatie gereed gemaakt wordt voor de inbedrijfname, na afronden van de werkzaamheden. Ook dat was al onderdeel van Lock Out, Tag Out maar nu ook keurig verwoord in NEN 3140.
Openen van kasten en PBM
In hoofdstuk 6 over werkprocedures vinden we o.a. een verhandeling of je bij het openen van kasten bepaalde PBM moet dragen. Zo moet je voordat je een kast opent de installatie(delen) spanningsloosmaken. Maar, als dat niet kan:
- Hoef je geen PBM te dragen als vastgesteld is dat er geen direct aanrakingsgevaar en vlambooggevaar bestaat.
- Moet je PBM tegen aanrakingsgevaar dragen bij het weghalen / terugplaatsen van kunststof afschermingen waarbij er wel is vastgesteld dat er geen vlambooggevaar is.
- En moet de installatie spanningsloos worden gemaakt als je metalen afschermingen gaat verwijderen of terugplaatsen waarbij aanrakingsgevaar of vlambooggevaar kan bestaan. In dat geval moet de installatie spanningsloos en veilig gesteld worden, anders geldt dit als werken onder spanning.
De noodzakelijke bescherming tegen vlambogen wordt bepaald door de waarde van de voorliggende beveiliging(en) en kan je vaststellen aan de hand van de onderstaande tabel. Deze is ongewijzigd op de verwijzing naar bijlage B.6.101 na, want dat is bijlage B.6 geworden, maar inhoudelijk hetzelfde.

Gevarenzone en PBM
In de 'oude' norm hadden we een tabel (zie hieronder) met afstanden tot aan aanraakbare onder spanning staande delen. Die afstanden zijn niet veranderd maar is er wel duidelijker aangegeven welke PBM moet worden toegepast. Dat was nu nog een beetje zoeken tussen de normtekst en de bijlagen.

Zo lezen we dat de gevarenzone voor elektrotechnische werkzaamheden 50 cm bedraagt maar dat er twee uitzonderingen zijn:
- Bij het uitvoeren van metingen moet je binnen 5 cm van aanraakbare actieve delen altijd isolerende handschoenen dragen.
- En bij bedieningshandelingen moet je binnen 10 cm van aanraakbare actieve delen ook isolerende handschoenen dragen.
Verderop in dit document is ook de flowchart opgenomen, deze geeft goed inzicht in wanneer welke PBM gedragen moeten worden.
Verplaatsbare apparatuur voor aarden en kortsluiten
Art. 3.5.6. was de vorige ronde niet overgenomen en nu blijkbaar wel. Dit betreft verplaatsbare apparatuur die aanrakingsveilig aan delen van de elektrische installatie kan worden gekoppeld voor aarding, kortsluiting of aarding en kortsluiting. In de opmerking lezen we dat dit gaat over aardingsonderdelen, kortsluitingsonderdelen en een of meer isolerende onderdelen zoals aardingsstokken.
SELV, PELV en FELV ketens
Dit zijn ketens die max 50VAC of 120VDC leveren. Hieraan is toegevoegd dat een SELV of PELV keten onder normale omstandigheden veilig is maar dat deze in vochtige (kruip) ruimten of bouwplaatsen wel gevaarlijk kunnen zijn.
Risicobeoordeling voorafgaand aan werkzaamheden
In art. 4.1., dat gaat over veilige bedrijfsvoering, is wat meer in concreto opgenomen dat er een risicobeoordeling moet worden uitgevoerd voordat we aan het werk gaan, in de omgeving of aan elektrische installaties en/of arbeidsmiddelen. Als uit die risicobeoordeling blijkt dat het werk niet volgens plan kan worden uitgevoerd moet het werk worden gestaakt en de Werkverantwoordelijke(n) direct worden geinformeerd. En, als er zich defecten of storingen voordoen moet de installatieverantwoordelijke direct op de hoogte worden gebracht en moeten direct de nodige maatregelen worden getroffen.
Verder is in 4.1.101 opgenomen dat de installatieverantwoordelijke de veilige bedrijfsvoering periodiek moet evalueren, ook dat is nieuw.
Onder spanning werken
In art. 3.4.4., dat gaat over onder spanning werken. is aan toegevoegd dat een vlamboog ook kan ontstaan door vallende voorwerpen of onderdelen. Dat is inderdaad zo.
Scheiden
| Oud | Nieuw |
| Volledig vrijmaken van een toestel of stroomkring van andere toestellen of stroomkringen. | Volledig vrijmaken van een toestel of stroomkring van andere toestellen of stroomkringen om deze daarmee te isoleren van elke vorm van elektrische energie. |
Elektrische arbeidsmidelen + Aardingsgarnituren en werkaardingen
Er was in de 'oude' norm al een lijstje met wat er nu precies onder elektrische arbeidsmiddelen werd verstaan want, zoals wellicht bekend vallen daar ook de persoonlijke beschermingsmiddelen (voor werken aan elektrische installaties) onder en dus niet alleen de elektrische apparaten en toestellen. Daar zijn 'aardingsgarnituren' en 'werkaardingen' aan toegevoegd.
| Oud | Nieuw |
| Elektrische gereedschappen |
idem |
| Elektrische machines, al dan niet vast aangesloten | idem |
| Handlampen en andere verplaatsbare lampen | idem |
| Stroomverbruikende toestellen, zoals: koelkasten, koffiezetters, laboratoriumapparatuur, pc's, printers en stofzuigers |
idem |
| Verplaatsbare leidingen |
idem |
| Verplaatsbare elektrische meetinstrumenten |
idem |
| Persoonlijke beschermingsmiddelen |
idem |
| Handgereedschappen voor het onder spanning werken |
idem |
| Verplaatsbare schakel- en verdeelinrichtingen | idem |
| Aardingsgarnituren | |
| Werkaardingen |
Wijzigingen inspectie elektrische arbeidsmiddelen
De tabel met maximale weerstandswaarden van de beschermingsleiding, voor inspectie elektrische arbeidsmiddelen, niet gewijzigd, alleen dan dat deze nu in bijlage R.3 te vinden is.
Ook zijn de waarden van de isolatieweerstand en lekstroom niet gewijzigd alleen staan deze in tabel R.1 en R.2 (apparaten met verwarmingselementen).
Ook de visuele inspectiepunten zijn ongewijzigd maar staan in bijlage R.1. Zo ook de metingen die moeten worden uitgevoerd zijn ongewijzigd behalve het testen van de aardlekschakelaar. Daar lezen we in bijlage R.4 dat je eerste de aarlekbeveiliging moet doorstromen, met een meetinstrument, en daarna pas de testknop mag gebruiken. Maximale uitschakeltijd is 300 ms gebleven en eraan toegevoegd is dat deze uitschakeltijd bij selectieve aardlekschakelaars tussen de 130ms en 500ms liggen.
Letterlijk staat er: "De goede werking van de testknop op de aardlekschakelaar kan pas na de meting worden gecontroleerd".
We hebben hier een online training + meetinstrument voor opgezet waarin we je leren hoe je dit doet.
Bepalen van PBM voor elektrotechnisch werk
Verder is er een flowchart opgenomen in bijlage S, dit is overzichtelijker dan de vorige tabellen in bijlage G. Met de flowchart is visueel gemaakt wat in feite al in de tabellen stond en staat maar zeker een meerwaarde heeft.
Toezicht
Of toezicht noodzakelijk is was geregeld in bijlage C en zowaar dat is nog steeds ondergebracht in bijlage C. We hebben in de aard van het toezicht en frequentie echter geen wijzigingen kunnen ontdekken.
Tekeningen
Zoals bekend moeten technische schema's, tekeningen en dergelijke actueel en aanwezig zijn. Daar is nu aan toegevoegd: 'Gegevens en instellingen van beveiligingen' ook daarvan moet de IV-er informatie bijhouden.
Bedieningshandelingen
In art 5.2. is de tekst wat duidelijker opgenomen, deze ziet er nu als volgt uit: "Er zijn twee soorten bedieningshandelingen:
- bedieningshandelingen met schakelmateriaal dat daarvoor bedoeld is zoals in- of uitschakelen van de elektrische status van een installatie of netconfiguratie maar ook het starten of stoppen van machines of apparaten.
- het scheiden, loskoppelen of opheffen van een scheiding, opnieuw aansluiten van elektrische installaties, delen daarvan of apparatuur voor de uitvoering van werkzaamheden.
Schakelen met vlambooggevaar
Als vlambooggevaar aanwezig is bij een bedieningshandeling, dan lezen we in het nieuwe art. 5.2.6, dat alleen de uitvoerenden aanwezig mogen zijn en dat zij op de juiste wijze beschermd moeten zijn tegen vlambogen. En, dat dergelijke werkzaamheden alleen mogen worden uitgevoerd door aangewezen personen. Maar ook dat het vlambooggevaar kan worden vastgesteld in tabel 101 en bijlage B 6, waarover verderop meer.
Meetinstrument Categorie III
In artikel 5.2. is toegevoegd als opmerkingen dat je bij het verrichten van metingen aan hoofdschakel- en verdeelinrichtingen een meetinstrument moet gebruiken van minimaal categorie III volgens de NEN-EN-IEC 61010-reeks. Verderop lezen we in bijlage H dat de blanke pennen van het meetinstrument bij voorkeur niet langer mogen zijn dan 4 mm.
Beproevingen elektrische installatie
In art. 5.3.2 zien we dat de Voldoende onderricht persoon ook onder toezicht moet staan van een VP, als hij beproevingen aan de elektrische installatie uitvoert. Voorheen mocht hij dat zelfstandig doen maar dat is nu dus van de baan. Overigens ken ik geen enkele VOP die beproevingen aan de elektrische installaties uitvoert, maar dat terzijde.
Inspectie elektrische installaties
De inspectiepunten voor elektrische installaties zijn opgenomen in bijlage Q.
Hieronder het overzicht van visuele inspectie, te zien is dat dit vrijwel ongewijzigd is en dat er een punt bijgekomen is: "De controle van de stroomverdeling in parallel aangesloten kabels om overbelasting van de individuele kabels/aders vast te stellen."
| Oud | Nieuw |
| a) de noodzakelijke tekeningen aanwezig zijn en de juiste informatie vermeld is; |
idem |
| b) de verschillende (installatie)delen eenduidig herkenbaar zijn; | idem |
| c) de eventueel aanwezige beschadigingen geen gevaar veroorzaken; | idem |
| d) er geen zichtbare tekenen van oververhitting zijn, | idem |
| e) het elektrisch materieel ten minste in overeenstemming is met de installatie-eisen, zoals bijvoorbeeld vastgelegd in de productnormen, installatienormen en leveranciersvoorschriften; |
idem |
| f) de gangpaden bestemd voor bediening en onderhoud en de vluchtwegen voldoende ruim en goed toegankelijk zijn; | idem |
| g) de verbindingen van de zichtbare beschermingsleidingen, inclusief vereffeningsleidingen, in orde zijn; | idem |
| h) de juiste beveiligingstoestellen aanwezig zijn en juist zijn ingesteld; | idem |
| i) de veiligheidsketens in orde zijn; | idem |
| j) de aanwezige spanningsindicatoren en voltmeters functioneren; |
idem |
| k) de elektrische installatie past bij de huidige gebruikseisen. | idem |
| x | de controle van de stroomverdeling in parallel aangesloten kabels om overbelasting van de individuele kabels/aders vast te stellen. |
De 5 Veiligheidsregels
De 5 veiligheidsregels zijn vrijwel ongewijzigd behalve dat er naast het vaststellen van de spanningsloosheid ook in bepaalde gevallen gekeken moet worden of de boel stroomloos is.
- Scheiden.
- Beveiligen tegen opnieuw inschakelen.
- Controleren of de elektrische installatie spanningsloos en indien noodzakelijk stroomloos is.
- Aarden en kortsluiten.
- Actieve delen afschermen.
Ad. 1. Scheiden
Bij het scheiden moet het gedeelte van de elektrische installatie van alle voedingsbronnen zijn gescheiden. Maar, is er aan toegevoegd dat de nul moet worden gescheiden als deze niet voldoende aardpotentiaal behoudt.
Ad. 2. Beveiligen tegen opnieuw inschakelen
Hier is tekstueel wat geschoven en is een apart artikel opgenomen over 'op afstand inschakelen' maar dit verhaal stond ook al in de oude norm.
Ad. 3. Controleren op spanningsloosheid
De spanningsloze toestand moet nog steeds zo dicht mogelijk bij de werkplek worden vastgesteld. En, als er ook sprake is van aardingssystemen en de DC-zijde van PV installaties (zonnepanelen), kan het noodzakelijk zijn om ook de stroomloze toestand vast te stellen.
De spanningsloze toestand moet worden vastgesteld van alle actieve delen ten opzichte van aarde en tussen de actieve delen onderling. Na de scheiding moet de installatie spanningsloos zijn waarbij nog wel rekening gehouden moet worden met 'restenergie' zoals het ontladen van condensatoren, kabels en frequentieomvormers.
Ad. 4. Aarden en kortsluiten
De tekst voor aarden en kortsluiten is ongewijzigd en moet nog steeds als je niet met zekerheid kan vaststellen of (delen van) de installatie spanningsloos blijven, zoals bij een onoverzichtelijke installatie of dat er een vreemde voeding mogelijk is of een leiding elektrisch beïnvloedbaar is. In dergelijke gevallen moet je de installatie aarden en kortsluiten. Verderop is te lezen dat materieel voor aarding en kortsluiting moet geschikt zijn voor de hoogste kortsluitstroom die mogelijk kan optreden. Tevens kan bij de werkplek verplaatsbare apparatuur voor aarden en kortsluiten worden aangebracht en zo lezen we hoeft deze niet kortsluitvast te zijn.
Ad. 5. Afschermen actieve delen
Dit punt is niet gewijzigd dus moeten nog steeds aanraakbare onder spanning staande delen (actieve delen) worden afgeschermd.
Na het spanningsloos maken van de installatie moeten de uitvoerenden zich ervan (laten) overtuigen dat de installatie inderdaad spanningsloos is en in de nieuwe norm is daaraan toegevoegd dat ze een 'eigen beveiliging tegen wederinschakeling' moeten aanbrengen wat in de praktijk neerkomt op het aanbrengen (door die uitvoerenden) van een persoonlijk hangslot.
Auteur: Drs. Richard Winter
Wil je op de hoogte blijven meld je dan even aan via onderstaand formulier.