Metalen gestellen moeten zo zijn opgesteld dat onder normale omstandigheden personen niet gelijktijdig in aanraking kunnen komen met:
* twee metalen gestellen of
* een metalen gestel en een vreemd geleidend deel.
Voor zover tussen deze delen een potentiaalverschil aanwezig kan zijn.
Aan deze voorwaarde is voldaan als één van de volgende opstellingen of combinaties daarvan tot stand is gebracht:
* de afstand tussen metalen gestellen en vreemde geleidende delen dan wel tussen metalen gestellen onderling is ten minste 2,50 m,
* de afstand tussen zich buiten handbereik bevindende metalen gestellen en vreemde geleidende delen dan wel tussen zich buiten handbereik bevindende metalen gestellen onderling is ten minste 1,25 m,
* doeltreffende hindernissen tussen metalen gestellen en vreemde geleidende delen dan wel tussen de metalen gestellen onderling waardoor de te overbruggen afstand wordt vergroot tot de waarden genoemd onder a), mits deze hindernissen niet met aarde of met de metalen gestellen zijn verbonden en zo mogelijk uit isolerend materiaal bestaan of
* een geïsoleerde opstelling van vreemde geleidende delen of een bekleding daarvan met isolatiemateriaal dat een voldoende mechanische sterkte bezit en een proefspanning van ten minste 2 kV kan doorstaan. De lekstroom mag onder normale bedrijfsomstandigheden niet groter zijn dan 1 mA.
Deze maatregelen moeten van blijvende aard zijn en mogen niet ongedaan kunnen worden gemaakt. De bescherming moet ook werkzaam zijn wanneer rekening moet worden gehouden met het gebruik van verplaatsbaar materieel. Hierbij kan men ook denken aan het risico dat bij een elektrische installatie waar geen zorgvuldig toezicht wordt gehouden, naderhand andere geleidende delen kunnen worden binnengebracht zoals verplaatsbaar of draagbaar materieel van klasse I of metalen waterleidingen, waardoor de hierboven beschreven maatregelen teniet worden gedaan. In het bijzonder moet er ook voor worden gezorgd dat de isolatie van vloeren en wanden niet door vocht wordt beïnvloed.
Waarde van de weerstand De weerstand van isolerende vloeren en wanden op een willekeurig punt, gemeten volgens de methode in de norm mag niet kleiner zijn dan:
50 kOhm bij een netspanning tot en met 500 V;
100 kOhm bij een netspanning van meer dan 500 V.
Indien de weerstand op een willekeurig punt kleiner is dan de voorgeschreven waarde moeten, met betrekking tot de bescherming tegen indirecte aanraking, de vloeren en wanden als vreemde geleidende delen worden beschouwd.
Beschermingsleidingen In ruimten waar bescherming door isolerende vloeren en wanden is toegepast mogen geen beschermingsleidingen zijn aangebracht. Bij het gebruik van toestellen van klasse I mag de beschermingsleiding dus niet zijn aangesloten. En mogen contactdozen niet zijn voorzien van een beschermingscontact.
Vreemde geleidende delen mogen geen spanningen vanuit deze ruimten naar andere ruimten kunnen overbrengen.