Home

  Zoeken

  Cursussen


  Disclaimer

Klimaat

Een te warme, te koude of tochterige werkomgeving zijn niet bevorderlijk voor de prestatie van de werknemer en kunnen ook de gezondheid schaden. Ook hier moeten we de oorzaak zoveel mogelijk aanpakken bij de bron. In een aantal gevallen zoals in de bouw zal dit niet altijd mogelijk zijn en zullen werknemers beschermde werkkleding moeten gebruiken.

Er zijn in feite drie factoren die het klimaat bepalen:
* de temperatuur van de omgeving;
* de luchtsnelheid (wind, tocht);
* de luchtvochtigheid.

Is er sprake van een hittebron op de werkplek probeer deze dan zoveel als mogelijk te isoleren, breng een geïsoleerde bedieningsruimte aan of beperk de blootstellingsduur. Een ander probleem is tocht, een combinatie van lage temperaturen en luchtsnelheid. Een luchtsnelheid van 0,15 meter per seconde wordt als optimaal ervaren. Het lichaam reageert snel op een ongename temperatuur of luchtsnelheid. Een grote variatie in de luchtvochtigheid wordt niet snel als onaangenaam ervaren. Een te lage luchtvochtigheid veroorzaakt uitdrogen van de slijmvliezen, neus en mond. Een te hoge luchtvochtigheid belemmert het verdampen van lichaamswarmte.




Arbobesluit; artikel 6.1 Binnen- en buitenklimaat
1. Het klimaat op de arbeidsplaats veroorzaakt geen schade aan de gezondheid van de werknemers.

2.Het klimaat op de arbeidsplaats is zo behaaglijk en gelijkmatig als redelijkerwijs mogelijk. Daarbij wordt rekening gehouden met de aard van de werkzaamheden die door de werknemers worden verricht en de fysieke belasting die het gevolg is van die werkzaamheden.

3. Hinderlijke tocht wordt vermeden tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

4. Indien door het klimaat op de arbeidsplaats toch schade aan de gezondheid van de werknemers kan ontstaan, worden persoonlijke beschermingsmiddelen ter beschikking gesteld. Indien de ter beschikking gestelde persoonlijke beschermingsmiddelen schade aan de gezondheid niet kunnen voorkomen, wordt de duur van de arbeid in een zodanige mate beperkt of wordt de arbeid met een zodanige frequentie afgewisseld door een tijdelijk verblijf op een plaats waar een klimaat heerst als bedoeld in het eerste lid, dat geen schade aan de gezondheid ontstaat.


Een toelichting hierop vinden we in de beleidsregel 6.1.
1. Er is sprake van een behaaglijk en gelijkmatig klimaat indien bij toepassing van de norm ISO 7730;1996 "Gematigde thermische binnenomstandigheden. Bepalingen van de PMV- en de PPD-waarde en specificaties van de voorwaarden voor thermische behaaglijkheid", de PMV-waarde tussen - 0,5 en 0,5 ligt, of indien minder dan 10 % van de werknemers klachten over het klimaat kenbaar maakt. Een overschrijding van die grenzen gedurende 10% van de verblijfstijd is acceptabel.

2. Indien de aard van het werk of de aard van de arbeidsplaats het werken bij een hoge omgevingstemperatuur noodzakelijk maakt, leiden de klimatologische omstandigheden niet tot overschrijding van de referentiewaarden genoemd in:

a. bijlage A van de norm ISO 7243:1989 "Hete omgevingsomstandigheden - Bepaling van de externe warmtebelasting van werkende mensen, gebaseerd op de WBGT-index (wet bulb globe temperature)", inclusief correctieblad C1:1996, en

b. bijlage C van de norm ISO 7933:1990 "Hete klimaatomstandigheden - Analytische bepaling en interpretatie van de warmte-belasting met behulp van de berekening van de vereiste zweetproductie".

3. Indien de aard van het werk of de aard van de arbeidsplaats het werken bij een lage omgevingstemperatuur noodzakelijk maakt, voldoet het klimaat aan de norm NVN-ISO/TR 11079;1996 "Beoordeling van koude klimaatomstandigheden. Bepaling van de vereiste warmte-isolatie van kleding", rekening houdend met de koude-beschermende kleding die de werknemer draagt.

4. Bij overschrijding van de referentiewaarden in de bovengenoemde normen dient de werkgever de thermische belasting op de betreffende arbeidsplaats met behulp van passende maatregelen te verminderen, zo veel mogelijk in eerste aanleg bij de bron van de thermische belasting.

Deze beleidsregel is niet van toepassing aan boord van zeeschepen.


TOELICHTING:
Beleidsregel 6.1 Arbobesluit
Vier fysische factoren zijn bepalend in de ervaring van het klimaat: luchttemperatuur, stralingswarmte, luchtsnelheid en relatieve vochtigheid. Door de grote individuele verschillen in de subjectieve ervaring van temperatuur is het praktisch onhaalbaar om deze klimaatfactoren zo te manipuleren dat 100 % van de mensen een behaaglijk klimaat ervaart, afgezien nog van de installatie-technische consequenties. De norm ISO 7730 levert een voorspelling op van de gemiddelde beleving van het klimaat van een grote groep mensen (PMV = Predicted Mean Vote) uitgaande van de meetwaarden van de genoemde fysische factoren. Vervolgens is te voorspellen hoe groot het percentage van de mensen is dat een onbehaaglijk klimaat ervaart (PPD = Predicted Percentage of Dissatisfied). Een berekende PMV-waarde tussen - 0,5 en 0,5 correspondeert met een voorspeld maximum van 10 % ontevredenen. Dit is algemeen aanvaard als criterium voor toelaatbare thermische belasting.

Onder invloed van meteorologische omstandigheden zal in een warme zomer, ook in gebouwen die qua bouwfysica en inrichting adequaat zijn, de PMV- waarde een gedeelte van de werktijd hoger worden dan 0,5. Wanneer het binnenklimaat in gebouwen tijdens werktijden altijd moet voldoen aan het criterium -0,5 < PMV > 0,5, zal dit noodzakelijkerwijs leiden tot het installeren van koeling in de luchtbehandelingsinstallaties. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat in gebouwen met mechanische koeling gemiddeld meer binnenklimaat- en gezondheidsklachten voorkomen dan in vergelijkbare gebouwen zonder koeling.

De norm ISO 7243 beschrijft een methode voor het bepalen van de invloed van omgevingswarmte. Het betreft hier de bepaling van het gemiddelde effect van warmte op mensen gedurende een periode die representatief is voor hun activiteit. In bijlage A van deze norm zijn referentiewaarden opgenomen voor een WBGT-index (WBGT = Wet Bulb Globe Temperature). Bij overschrijding van deze referentiewaarden kan volgens een methode beschreven in de bijlagen A, B en C van de norm ISO 7933, een meer nauwgezette analyse beoordeling volgen.

Als werkzaamheden bij een lage omgevingstemperatuur plaatsvinden kan koude de warmtebalans van het lichaam ernstig in gevaar brengen. Juiste kleding kan het verlies van lichaamswarmte tegengaan. De norm ISO/TR 11079 beschrijft een methode om daarvoor de benodigde kledingisolatie te bepalen.

Alvorens metingen te verrichten is het raadzaam om in het kader van een risico-inventarisatie de individuele beleving van de klimaatomstandigheden te inventariseren. Indien er geen klachten zijn of indien er geen twijfel bestaat over het bereiken van de referentiewaarden in de norm die op de betreffende situatie van toepassing is, kunnen metingen achterwege blijven. Indien dergelijke referentiewaarden blijkens metingen worden overschreden of indien daarvoor vermoedens bestaan, zijn passende maatregelen noodzakelijk. De meeste prioriteit verdienen daarbij maatregelen die de bron van de klimatologische invloed bestrijden of wegnemen. Op de tweede en derde plaats kan daarbij achtereenvolgens gedacht worden aan maatregelen voor collectieve bescherming of voor individuele bescherming.

Voor klimaatregeling en ventilatie op zeeschepen gelden de bepalingen van internationale verdragen, waaronder die van de International Maritime Organisation (IMO). Voor luchtvaartuigen gelden bepalingen op grond van de certificatie-regelgeving van de Joint Airlines Association (JAA).






Arbobesluit artikel 6.2 Luchtverversing
1. Op de arbeidsplaats is voldoende niet verontreinigde lucht aanwezig.
2. Luchtverversingsinstallaties zijn altijd bedrijfsklaar.
3. Luchtverversingsinstallaties zijn voorzien van een controlesysteem dat storingen in de installatie signaleert voor zover dat noodzakelijk is voor de gezondheid van de werknemers.


Een toelichting hierop vinden we in de beleidsregel 6.2.
1. Voor kantoorruimten geldt een minimale luchtverversing van 30 m3/uur per persoon, en voor lesruimten in het basisonderwijs, overeenkomstig NEN 1089:1986 "Ventilatie van schoolgebouwen. Eisen", 1e druk, oktober 1986, een minimale luchtverversing van 20 m3/uur per persoon.
2. Voor overige ruimten waarin lichte arbeid wordt verricht geldt een minimale luchtverversing van 25 m3/uur per persoon.

Deze beleidsregel is niet van toepassing aan boord van zeeschepen en luchtvaartuigen of indien de eisen van verkeersveiligheid (Wegvervoer) zich ertegen verzetten.

TOELICHTING:
Beleidsregel 6.2 Arbobesluit
In een ruimte waar mensen verblijven zal als gevolg van ademhaling de samenstelling van de lucht geleidelijk veranderen. Om redenen van gezondheid en welzijn is het noodzakelijk om de lucht in de ruimten te verversen.
Voor de mate van verontreiniging door de aanwezigheid van personen wordt de CO2-concentratie in de binnenlucht als maatstaf gehanteerd. Een goede kwaliteit binnenlucht bevat minder dan 0,1 volume procent CO2 (1000 ppm). Als grenswaarde wordt 0,12 vol % (1200 ppm) gehanteerd. Bij incidentele afwijking van het beoogde gebruik, waarbij een grotere verontreiniging optreedt (bijv. een tijdelijke hogere bezetting van de arbeidsplaats) mag het CO2-gehalte ten hoogste 0,15 volume procent bedragen. Bij de bepaling van de daartoe minimaal noodzakelijke capaciteit van luchtverversing dient rekening te worden gehouden met onder meer de kenmerken en het activiteitenniveau van de personen. Bij andere verontreinigingsbronnen dan de mens gelden specifieke eisen die samenhangen met de aard en omvang van die bron.

Overeenkomstig het Bouwbesluit wordt NEN 1087:1997 "Ventilatie van woningen en woongebouwen. Eisen en bepalingsmethoden", gehanteerd voor de bepaling van de noodzakelijke ventilatie- voorzieningen.

In het kader van het actieprogramma deregulering bouwregelgeving, wordt sedert medio 1993, ingevolge artikel 5 van de Woningwet, gewerkt aan afstemming tussen de arbovoorschriften met bouwkundige consequenties en de bouwregelgeving. Dit dient zijn beslag te krijgen bij de opstelling van voorschriften in het Bouwbesluit voor gebouwen waarin arbeid wordt verricht. Enerzijds door vigerende arbovoorschriften in het Bouwbesluit te doen opnemen, anderzijds door bij de opstelling van arboregels, onder meer in de vorm van beleidsregels, rekening te houden met hetgeen in het Bouwbesluit geregeld gaat worden.

Uit deze beleidsregel vloeit niet voort dat in alle gevallen de luchtverversing door mechanische ventilatie moet worden bewerkstelligd. In veel gevallen volstaat natuurlijke ventilatie van de ruimte, dat wil zeggen: het openen van ramen of deuren.

Voor klimaatregeling en ventilatie op zeeschepen gelden de bepalingen van internationale verdragen, waaronder die van de International Maritime Organisation (IMO). Voor luchtvaartuigen gelden bepalingen op grond van de certificatie-regelgeving van de Joint Airlines Association (JAA).



Auteur: drs. Richard Winter